Zacht tropisch fruit, en dan: zout. De wijngaarden staan vlak aan de Atlantische kust; de zeewind waait letterlijk door de rijen.
Eerst rijp geel fruit: passievrucht, peer, steenfruit. Daarna komt de zee: een fijne, ziltige afdronk met een twist van limoen. Strak van zuren, maar nooit scherp.

Albariño is een diva in de wijngaard: dikke schil, lastig rijp, gevoelig voor rot. In Condado do Tea, iets landinwaarts, staan de stokken hoog gesnoeid zodat de zeewind erdoorheen kan, als een föhn voor de druiven. Kalksteen in de bodem geeft de wijn zijn mineraliteit.

“De fijne ziltigheid die de wind meebrengt, is een geschenk.”
Een half uur uit de koelkast. Geen decanteren; de frisheid is het punt.
Alles van zee.